Vegetariërs
Een bever is een echte planteneter. In het voorjaar en de zomer staan vooral kruiden, grassen en waterplanten op het menu. Ook wortelstokken, bladeren en jonge twijgen lust hij graag. In de winter eet hij veel bast van zachte boomsoorten, zoals wilgen en populieren. Het harde hout zelf verteert hij niet. Dikkere takken en stammen kunnen wel worden gebruikt bij het bouwen en herstellen van een dam of burcht.
Een ingebouwd zwempak
Een bever heeft een ontzettend dichte vacht met wel 10.000 haren per vierkante centimeter (mensen hebben er slechts een paar honderd op hun hoofd). Hij vet z’n vacht voortdurend in met een speciale olie uit zijn eigen lichaam, waardoor hij na een lange duiktocht kurkdroog op de kant klimt.
Trouwe partners
Bevers leven meestal als vaste paren. Samen delen ze hun territorium en verzorgen ze hun jongen. De paartijd valt vooral in januari en februari. Na een draagtijd van iets meer dan honderd dagen worden meestal twee of drie jongen geboren, vaak in mei of juni. De kleine bevers komen behaard en met geopende ogen ter wereld. Ze kunnen al binnen korte tijd zwemmen, maar blijven tijdens hun eerste levensweken meestal veilig in of vlak bij de burcht. Jonge bevers wonen vaak ongeveer twee jaar bij hun ouders voordat ze een eigen leefgebied zoeken.
Beverburcht
Een beverfamilie kan wonen in een hol in de oever of in een burcht van takken, plantenresten en modder. De ingang ligt meestal onder water, terwijl de woonruimte zelf droog en boven het waterniveau blijft. Dat maakt het verblijf veilig en beschut. In ondiepe beken bouwen bevers soms een dam. Daarmee verhogen ze het waterpeil, zodat de ingang van hun woning onder water blijft en ze gemakkelijk naar hun voedsel kunnen zwemmen. Zo passen bevers hun leefomgeving helemaal aan hun eigen wensen aan.
Wat doen bevers in een jaar?
In de winter hebben bevers het moeilijk, er is weinig jong groen te vinden om te eten en het is koud. Soms verzamelen ze een takkenvoorraadje. Het liefst blijven ze zoveel mogelijk binnen in hun warme burcht. Overdag met sneeuw en ijs laten ze zich soms zien, het is dan niet zo koud als ‘s nachts. In de winter paren bevers ook, meestal in het water met hun buiken tegen elkaar.
In de lente kunnen bevers weer frisgroene blaadjes eten, in plaats van bast en wortels. In mei worden de jonkies geboren, meestal een stuk of drie. De eerste 3 maanden krijgen ze moedermelk.
Als de bevertjes 8 weken zijn, gaan ze voor het eerst buitenspelen. Eerst blijven ze dichtbij de burcht, later gaan ze ook zelf voedsel zoeken. In de zomer kun je vaak bevers zien. Ze gaan meer en langer naar buiten. Als bevers twee jaar zijn, gaan ze bij hun ouders weg. Meestal gaan ze ongeveer 20 kilometer verderop wonen.
In de herfst maken bevers hun burcht geschikt voor de koude tijd. Ze leggen er meer takken en modder op, dan blijft het binnen warmer. Ze eten dan ook veel, om een dikke vetlaag te krijgen. De bevers maken (water)paadjes die ze een beetje uitgraven. De paadjes zijn glad en modderig, makkelijk om takken overheen te slepen.
Emmie bij de beverboom

















